Bloedverdunners

Wanneer een trombose is ontstaan of dreigt te ontstaan, kan uw arts u verschillende medicijnen voorschrijven. Momenteel zijn verschillende soorten bloedverdunners voorhanden. 

 

Ascal

Bloedplaatjesremmer die gegeven wordt bij patienten met angina pectoris, vaatlijden, na een hart- of herseninfarct en bij bepaalde hartritmestoornissen.

 

Plavix

Bloedplaatjesremmer die gegeven wordt bij patienten die een stent hebben gekregen bij een dotterbehandeling voor een hartinfarct, of wanneer patienten geen Ascal kunnen verdragen.

 

Heparine 
Bij het ontstaan van een trombosebeen of een longembolie kan uw arts u heparine of laag moleculair gewicht heparine zoals Fraxiparine of Fragmin voorschrijven. Beide middelen zorgen ervoor dat de trombose zich niet verder uitbreidt en er geen embolie ontstaat. Heparine dient men toe via een infuus. Laag moleculair gewicht heparine wordt als een spuitje onder de huid gegeven. Beide middelen kunnen ook gegeven worden om trombose te voorkomen, bijvoorbeeld na een operatie.

 

Coumarines

U kunt Sintrom (Acenocoumarol) en Marcoumar (Fenprocoumon) krijgen voorgeschreven ter voorkoming of ter behandeling van trombose in de aders, slagaders of hart.

 

Regelmaat bij het innemen
Een allereerste vereiste om een goede laboratoriumuitslag met acenocoumarol of fenprocoumon te bereiken en te houden, is het op de juiste manier innemen van deze tabletten: één keer per dag volgens het voorschrift van de Trombosedienst, bij voorkeur 's avonds. U neemt dus de voorgeschreven tabletten in één keer in en verdeelt deze niet over de dag. Op de prikdag kan het namelijk voorkomen dat een patiënt 's middags gebeld wordt om die dag een andere hoeveelheid in te nemen. Als het innemen een keer vergeten wordt, kan de uitslag verstoord zijn en dan duurt het weer enkele dagen om die goed te krijgen. De arts/medewerker van de Trombosedienst moet daarom op de hoogte gesteld worden dat de tabletjes een keer vergeten zijn. De tabletjes mogen nooit de volgende dag alsnog ingenomen worden.

 

 

Frequentie van de controles
Het hangt af van de laboratoriumuitslag en de aandoening hoe vaak iemand geprikt moet worden. Dat kan maximaal eenmaal in de zes weken zijn, maar ook vaker. Indien de uitslag van de laboratoriumtest niet goed is, kan een wekelijkse of zelfs dagelijkse controle noodzakelijk zijn. Bij de start van de antistollingsbehandeling is controle ook vaak intensief omdat iemand dan goed ingesteld moet worden op de medicatie.

 

Combinatie met andere medicijnen en ziektes
Er zijn medicijnen die de werking van acenocoumarol en fenprocoumon kunnen beïnvloeden. Sommige medicijnen zorgen ervoor dat de werking versterkt wordt, andere dat de werking verzwakt wordt. Het is daarom van belang alle medicijnen die men naast de antistollingsmiddelen gebruikt te melden aan de Trombosedienst.
De medewerkers van de Trombosedienst weten welke medicijnen invloed hebben op elkaar en de arts van de Trombosedienst kan de dosering van de antistollingsmiddelen aanpassen. Het is af te raden op eigen initiatief medicijnen te slikken zonder die aan de Trombosedienst te melden. Onder dit advies vallen ook de “vrij” verkrijgbare preparaten bij de drogist. Ziektes die met koorts, diarree of braken gepaard gaan, kunnen invloed hebben op de werking van antistollingsmiddelen. De Trombosedienst wil dan ook graag weten of iemand ziek is, zodat bekeken kan worden of een extra bloedcontrole noodzakelijk is en of de dosering van de antistollingsmiddelen aangepast moet worden.

 

Alcohol
Als de specialist of huisarts er geen bezwaar tegen heeft, kan een matige hoeveelheid alcohol (een tot twee glazen per dag) in combinatie met acenocoumarol of fenprocoumon genuttigd worden. Echter een grote hoeveelheid alcohol verstoort de uitslag van de laboratoriumtest wel.

 

Risico op bloedingen
Iemand die acenocoumarol of fenprocoumon slikt, loopt meer risico op het krijgen van bloedingen. Een blauwe plek of een rood oog is over het algemeen minder ernstig, maar bij rode urine of zwarte ontlasting moet er onmiddellijk contact opgenomen worden met de Trombosedienst èn de huisarts.

 

Opnames en poliklinische ingrepen
Als iemand een (kleine)chirurgische ingreep moet ondergaan moet over het algemeen de instelling met acenocoumarol of fenprocoumon tijdelijk aangepast worden. Bij tandheelkundige ingrepen waarvan de omvang niet groot is behoeft de behandeling niet altijd te worden aangepast. Overleg met de arts van de trombosedienst hierover is dan ook noodzakelijk.
Als er niet aangepast wordt, is het risico op het krijgen van een bloeding te groot. De behandelend arts bepaalt of er voor de ingreep gestopt moet worden, eventueel in overleg met de Trombosedienst. Ook is het mogelijk dat er vitamine K gegeven moet worden om het effect van de antistollingsmiddelen te verlagen.
 

Hoge leeftijd
Ook op hoge leeftijd kunnen antistollingsmiddelen geslikt worden; er bestaat echter een groter risico op het krijgen van een bloeding.

 

Gewichtsverandering
Een dieet, met name een vetvrij dieet, kan invloed hebben op de werking van antistollingsmiddelen. Daarom moet u dit doorgeven aan de Trombosedienst, want er zijn dan mogelijk extra bloedcontroles nodig om de dosering van de antistollingsmiddelen aan te kunnen passen.

 

Sport en lichaamsbeweging
Trombose en behandeling met antistollingsmiddelen staan sport niet in de weg. Maar het is wel van belang om op te passen bij blessuregevoelige sporten. Ook is gebleken dat iemand die opeens intens gaat sporten of meer lichaamsbeweging heeft, meer acenocoumarol of fenprocoumon nodig heeft. In zo'n geval kan de Trombosedienst na extra bloedcontroles de dosering van het antistollingsmiddel aanpassen.

 

Vakantie
Als iemand op vakantie wil en behandeld wordt met een antistollingsmiddel zal de Trombosedienst een vakantiebrief met de noodzakelijke gegevens meegeven in de taal van het land van bestemming. De Trombosedienst heeft ook een lijst met adressen waar u zich kunt laten prikken indien dit noodzakelijk is.

 

Zwangerschap
In principe hoeft een tromboserisico een zwangerschap niet in de weg te staan. Acenocoumarol en fenprocoumon zijn schadelijk voor de vrucht wanneer zij tijdens de eerste zestien weken van de zwangerschap worden gebruikt. Worden antistollingsmiddelen kortdurend gebruikt dan is het verstandig in deze periode niet zwanger te worden. Bij een langdurige behandeling met een antistollingsmiddel bestaan er mogelijkheden om een zwangerschap relatief veilig voor moeder en kind te laten verlopen. Bij kinderwens is het daarom raadzaam contact hierover op te nemen met de huisarts, de specialist en de Trombosedienst.

 

Na een vorm van trombose te hebben doorgemaakt is het volgen van behandelingsadviezen en het aanhouden van een gezonde levensstijl van groot belang. Belangrijke adviezen die u kunt volgen zijn:

  1. Neem uw antistollingstabletten altijd in volgens de aanwijzingen op de doseringskalender en op een vast tijdstip.
  2. Zet direct na inname een kruisje op de doseringskalender. Zo voorkomt u vergissingen.
  3. Neem zo spoedig mogelijk contact op met de trombosedienst als u bent vergeten uw tabletten in te nemen.
  4. Houd u zich altijd aan de controleafspraak met de trombosedienst en neemt contact op als u bent verhinderd.
  5. Neem altijd contact op met de trombosedienst als u ziek bent (griep, koorts, diarree), een poliklinische ingreep moet ondergaan of uw tanden of kiezen moet laten trekken.
  6. Licht artsen en verpleegkundigen altijd over uw situatie in bij een onverwachte ziekenhuisopname. Vertel dat u bij een trombosedienst onder controle bent en laat, indien mogelijk, uw doseringskalender zien.
  7. Vertel de trombosedienst altijd over een geplande ziekenhuisopname.
  8. Neem nooit op eigen initiatief andere (zelfzorg)medicijnen in. Dit geldt zeker voor aspirine en ook voor hoestdranken en laxeermiddelen.
  9. Als u iets wilt innemen tegen koorts of pijn, neem dan alléén paracetamol. Overleg dit ook altijd met uw huisarts en geef het door aan de trombosedienst.
  10. Als uw huisarts, specialist of andere behandelaar u nieuwe medicijnen voorschrijft, vertel hem of haar dan dat u ook antistollingsmiddelen gebruikt.
  11. Als u gaat stoppen met het gebruik van medicijnen, meld dit dan ook altijd aan de trombosedienst.
  12. U bent kwetsbaarder voor bloedingen. Dit hoort bij de behandeling. Als u ongerust bent of vragen hebt, kunt u altijd de trombosedienst bellen.
  13. Als uw urine rood van kleur is of uw ontlasting gitzwart, twijfel dan niet en neem direct contact op met uw huisarts én trombosedienst.
  14. Eet gevarieerd en beperk uw alcoholconsumptie tot maximaal één tot twee consumpties per dag.
  15. Als u een vermageringsdieet volgt, meld dit dat aan de trombosedienst.
  16. Vertel uw trombosedienst tijdig dat u vakantieplannen hebt.